De keuze van een opslagplaats

1998: de federale regering beslist dat er een definitieve oplossing moet komen voor laagradioactief afval in België. Ze start overleg met de kandidaat-gemeenten: Mol en Dessel in de Antwerpse Kempen, en Fleurus en Farciennes in Wallonië.

NIRAS (Nationale Instelling voor het beheer van Radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen) start een participatieprocedure, gebaseerd op partnerships met de lokale bevolking:

  • MONA (Mols Overleg Nucleair Afval);
  • STORA (STudie- en Overleg Radioactief Afval Dessel);
  • PaLoFF (Partenariat Local Fleurus-Farciennes), dat in 2006 wordt stopgezet omdat er geen lokale politieke steun is.

2006: de regering kiest voor Dessel op basis van 2 evenwaardige voorstellen van Mol en Dessel. Omdat Dessel al lang radioactief afval op zijn grondgebied heeft, kan daar een langetermijnoplossing ontwikkeld worden. Mol blijft wel betrokken in het participatief proces om een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak te hebben bij de inwoners van de regio.

2007: STORA, MONA en de NIRAS tekenen een intentieverklaring tot samenwerking. Daarin bekrachtigen de partners officieel de manieren van samenwerking en overleg voor het project van de oppervlakteberging.