Terug in de tijd met het atoom
De aanwezigheid van radioactieve elementen in de bodem, in fossielen of in het poolijs stelt ons in staat om de geschiedenis van onze planeet te bestuderen. De datering met koolstof-14 is een bekende techniek die het mogelijk maakt om voorwerpen of plaatsen tot ongeveer 40.000 jaar terug te dateren. Om nog verder terug te gaan gebruikt men andere radioactieve methoden.
De datering met koolstof-14 wordt berekend in functie van de halveringstijd van dit element. Elk levend wezen neemt koolstof op, en die bevat een klein beetje koolstof-14. Wanneer het organisme overlijdt, stolt de hoeveelheid koolstof-14 en begint te verminderen. Elke 5.730 jaar verliest het de helft van zijn activiteit. Een archeoloog kan een fossiel dateren door de resterende hoeveelheid kernen van koolstof-14 te vergelijken met de hoeveelheid die aanwezig was op het moment dat de koolstof-14 stolde. Om te weten hoeveel er aanwezig was op het moment van stolling, vertrekt men van de hypothese dat de hoeveelheid koolstof-14 bij het "overlijden" dezelfde is als die van de huidige plant. De hoeveelheid koolstof in de atmosfeer is de laatste duizenden jaren immers vrijwel onveranderd gebleven. Het lichte verschil wordt dan berekend en de datering wordt gecorrigeerd.
Materialen veranderen en versterken
Heel wat bekleding in musea of luchthavens wordt door bestraling versterkt.
Als u in het kasteel van Seneffe of de "Grande Galerie de l’Evolution" in het Natuurhistorisch Museum in Parijs rondwandelt, kunt u zich moeilijk voorstellen dat de parketvloeren daar bestraald werden. Dat wordt dikwijls gedaan in gebouwen die veelvuldig gebruikt worden, zoals musea of luchthavens. Het materiaal krijgt een speciale hars die daarna bestraald wordt. Door de bestraling veranderen de mechanische en chemische kenmerken van een stof en wordt die harder. Dezelfde techniek wordt gebruikt om antieke meubelen en zeer fragiele kunstwerken te restaureren.
Ook in de industrie
De principes van nucleaire geneeskunde worden ook in de industrie gebruikt. Bij industriële radiografie wordt een element aan ioniserende straling onderworpen. Men analyseert de weg die deze stralen binnen het materiaal volgen. Op die manier kan men de kwaliteit van het materiaal of de lasnaden controleren en ze tegelijk intact houden. In een vliegtuig worden een of meerdere onderdelen met behulp van kerntechnologie gecontroleerd. Bijvoorbeeld om corrosiesporen in de vleugels op te sporen.
De weg die de stralen volgen, wordt ook gebruikt om metingen uit te voeren:
- van de dikte (bijvoorbeeld van bladen papier of plastic);
- van het niveau (bijvoorbeeld voor materiaal dat in een silo of reservoir is opgeslagen);
- van de samenstelling (om de bestanddelen van verf te analyseren);
- enz.
Ook in chemische fabrieken wordt een tracer geïnstalleerd. Door het parcours van deze tracer in het proces te volgen, kan men de flows controleren en eventuele storingen opsporen.
In onbruik geraakte toepassingen
Al deze toepassingen maken gebruik van de effecten van de straling, maar ze bevatten geen radioactieve bron die de straling uitzendt. Vroeger bevatten sommige producten in ons dagelijks leven wel radioactieve bronnen. Die zijn niet gevaarlijk, want ze zijn verzegeld. Toch bestaat het gevaar dat ze bij het gewone afval terecht zouden komen. Dat risico moet vermeden worden want het gaat om radioactief afval. Daarom is het gebruik van toestellen of producten met radioactieve bronnen geleidelijk afgeschaft:
- Radioactieve bliksemafleiders: de punt van dit soort bliksemafleider was uitgerust met een radioactieve bron om het toestel sterker te maken. Dit model mag in België sinds 1985 niet meer geïnstalleerd worden. Het FANC maakt een inventaris op van de nog bestaande bliksemafleiders en verwijdert ze.
- Lichtgevende verf met radium op horloges.
- Ionisatierookmelders worden stelselmatig vervangen door optische rookmelders.





