Meer dan een eeuw nucleaire geneeskunde

Radiologie

  • De hand van Dr. von Kollikers, een vriend van Röntgen, en de tweede gekende radiografie ooit.1896: Röntgen maakt de eerste radiografie. Dankzij de X-stralen bekomt hij een beeld van het skelet van de hand van zijn echtgenote. Het principe is eenvoudig: de X-stralen worden langs één kant van het menselijk lichaam uitgezonden. Ze gaan doorheen het lichaam en worden meer of minder door de weefsels geabsorbeerd (de botten zijn minder doorzichtig, de spieren meer). Langs de andere kant toont een "revelator" het beeld (de radiografie). Radiologie wordt onmiddellijk een bondgenoot van de botchirurgie.
    Beeld: "Kernenergie beter begrijpen", BNS.

Radio-isotopen

  • Eind van de 19de eeuw: wetenschappers leggen de grondslagen van de nucleaire geneeskunde. In 1896 ontdekt Henri Becquerel de radioactiviteit. 2 jaar later isoleren Pierre en Marie Curie de eerste radioactieve elementen. Het koppel wetenschappers voert verschillende wetenschappelijke experimenten uit. Die doen het effect van deze elementen op de huid uitkomen.
  • 1903: Graham Bell suggereert radioactieve bronnen op tumoren te plaatsen.
  • 1913: Georg von Hevesy gebruikt radioactieve isotopen als tracers. Hij injecteert ze in het lichaam om de metabolische processen te observeren dankzij de straling (zie artikel De nucleaire geneeskunde).
  • 1934: Frédéric en Irène Joliot-Curie ontwikkelen de eerste kunstmatige radio-isotopen. Dat is een belangrijke stap voor de nucleaire geneeskunde. 3 jaar later start de productie van jodium 131, cobalt 60 en technetium 99. Deze 3 kunstmatige radio-isotopen worden ook vandaag nog het meest gebruikt.
  • Vanaf 1942 voeren dokters de eerste behandelingen van hyperthyroïdie met jodium 131 uit. Dankzij zijn fysieke eigenschappen wordt radiojodium 131 al snel het belangrijkste radio-isotoop. Het gebruik daarvan opent de weg naar het onderzoek naar andere radio-isotopen. Dat leidt tot een nieuwe medische specialisatie; de nucleaire geneeskunde.

Radiofarmaca identificeren kankercellen, lang voordat ze met de traditionele visualisatiemethodes zichtbaar zijn.

Scanners

In het begin van de jaren '50 vindt een nieuwe belangrijke ontwikkeling plaats. Onderzoekers ontwikkelen de eerste detectoren waarmee de radioactieve sporen, afkomstig van een radio-isotoop die in het lichaam wordt geïnjecteerd (tracer), in organen in beelden kunnen worden omgezet. Met de scanner, die in 1950 door Cassen werd ontwikkeld, kan de tracer punt per punt in een orgaan gemeten worden. Vanaf 1957 kan daar met de "gammacamera" een  totaalbeeld van verkregen worden. In 1962 doet de scintigrafie haar intrede met tweedimensionale beelden.

Een constante evolutie

De nucleaire geneeskunde heeft sindsdien geprofiteerd van de algemene technologische vooruitgang. De digitalisering wordt steeds meer gebruikt. Nieuwe technologieën koppelen de radio-isotopen aan andere moleculen zoals antilichamen of hormonen. Deze combinaties zijn geneesmiddelen die radiofarmaca worden genoemd. In kleine dosissen kunnen deze radiofarmaca worden gebruikt om de aanwezigheid en de locatie van kankercellen te identificeren, lang voordat ze met de traditionele visualisatiemethodes zichtbaar zijn.